Bouwbesluit



Ruimtebenaming
Bouwbesluit thema's

Ruimtebenaming

Om een bouwwerk te kunnen toetsen aan het Bouwbesluit is het van groot belang om het bouwwerk te schematiseren conform de benamingen van het Bouwbesluit. Benamingen die niet gedefineerd zijn in het Bouwbesluit zoals een loods, bankgebouw, bibliotheek, supermarkt, hotel, slaapkamer, garage, hobbyruimte, keuken, ontspanningsruimte, e.d. dienen zoveel mogelijk te worden vermeden in een Bouwbesluit toetsing om misverstanden te voorkomen.

Wanneer op een tekening staat aangegeven dat het bouwwerk een loods betreft, dan is het nog niet duidelijk welke eisen van het Bouwbesluit van toepassing zijn. Wordt de loods gebruikt voor het opslaan van goederen of werken in de loods ook dagelijks mensen voor het sorteren van goederen? Bij het uitsluitend opslaan van goederen speelt het verblijven van mensen een ondergeschikte rol, indien sorteerwerkzaamheden plaats vinden door mensen is dat niet het geval. In het eerste geval spreekt het Bouwbesluit over een lichte industriefunctie en in het tweede geval over een (normale) industriefunctie. Het Bouwbesluit stelt voor een lichte industriefunctie andere eisen aan het bouwwerk dan voor een (normale) industriefunctie. Het is dus niet verstandig om uitsluitend benamingen te gebruiken die niet gedineerd zijn in het Bouwbesluit.

Een ander voorbeeld is een garage bij een woning. Wordt de garage gebruikt voor het stallen van een motorvoertuig, dan betreft het een overige gebruiksfunctie voor het stallen van motorvoertuigen conform het Bouwbesluit. Wordt de garage uitsluitend gebruikt als bergruimte, dan mag de garage benoemt worden als een overige gebruiksfunctie. Ook hier gelden verschillende eisen voor.

>Het schematiseren van een bouwwerk in gebruiksfuncties, oppervlakten en ruimtebenamingen vindt in verschillende stappen plaats.

Stap 1: Bepaal de gebruiksfuncties

Het Bouwbesluit onderscheid 12 hoofdgebruiksfuncties. Aan elk deel van een bouwwerk  moet een gebruiksfunctie worden toegekend. De gebruiksfunctie bepaalt welke eisen van het Bouwbesluit van toepassing zijn.
>> Lees hier meer over gebruiksfuncties

Stap 2: Bepaal het gebruiksoppervlakte van de gebruiksfuncties

Het gebruiksoppervlakte is de bruikbare vloeroppervlakte van een gebruiksfunctie. Dit oppervlak zegt iets over de omvang van het bouwwerk. Een aantal Bouwbesluit eisen zijn gebruiksoppervlakte gerelateerd. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om het aantal benodigde brandcompartimenten, toiletruimte, toegankelijkheidssectoren, e.d.
>> Lees hier meer over het gebruiksoppervlakte

Stap 3: Benoem de gedefineerde ruimte

Afhankelijk van de gebruiksfunctie en de grootte van het gebruiksoppervlakte eist het Bouwbesluit ruimtes die aanwezig moeten zijn in een bouwwerk. Deze ruimtes zijn gedefineerd in het Bouwbesluit. Het gaat hierbij om:
  1. toiletruimte
  2. badruimte
  3. technische ruimte
    1. meterruimte
    2. stookruimte
    3. liftmachinekamaer
  4. verkeersruimte
  5. stallingsruimte voor fietsen
  6. opslagruimte voor huishoudelijk afval
  7. liftschacht en liftkooi
  8. verblijfsruimte
De ontwerper mag echter ook vrijwillig bovengenoemde ruimten aanbrengen in een bouwwerk. Eist het Bouwbesluit één badruimte voor een gebouw, maar de ontwerper voorziet het gebouw echter van een tweede badruimte, dan moet het tweede badruimte ook aangemerkt worden als badruimte. Het tweede niet verplichte badruimte mag niet aangemerkt worden als verblijfsruimte, onbenoemde ruimte e.d.
Het Bouwbesluit kan verschillende eisen stellen aan bijvoorbeeld een toiletruimte die verplicht aanwezig moet zijn in een gebouw en een toiletruimte die vrijwillig wordt aangebracht. Een voorbeeld:

Artikel 4.39 inrichting

Een toiletruimte als bedoeld in artikel 4.35 is afsluitbaar.

In artikel 4.35 staat over hoeveel verplichte toiletruimten een gebruiksfunctie moet beschikken. Al deze verplichte toiletruimten moeten afsluitbaar zijn. Voor een niet verplicht toiletruimte geldt de afsluitbaarheid niet omdat in artikel 4.39 staat “als bedoeld in artikel 4.35”.

Artikel 3.28 wateropname

Een scheidingsconstructie van een toiletruimte of een badruimte, heeft aan een zijde die grenst aan die ruimte, tot 1,2 m hoogte boven de vloer van die ruimte een volgens NEN 2778 bepaalde wateropname

In dit artikel wordt niet verwezen naar artikel 4.35 waar het aantal verplichte toiletruimten in staat vermeld. Het artikel 3.28 geldt dus voor alle toiletruimten.

Stap 4: Bepaal de verblijfsruimten

Een verblijfsruimte is een ruimte waarin de kenmerkende activiteit van een gebruiksfunctie in plaats vindt. Bijvoorbeeld een slaapkamer in een woning moet als verblijfsruimte worden aangemerkt. Het Bouwbesluit stelt aan een verblijfsruimte eisen om op een gezonde, veilige bruikbare en energiezuinige wijze de kenmerkende activiteit van de gebruiksfunctie uit te kunnen oefenen.
>> Lees meer over verblijfsruimten

Stap 5: Bepaal de verblijfsgebieden

Een verblijfsgebied is een verzameling van aan elkaar grenzende verblijfsruimten op dezelfde bouwlaag. Een verblijfsruimte moet in een verblijfsgebied liggen. Dus een verblijfsgebied bestaat altijd uit ten minste één verblijfsruimte. De term verblijfsgebied is ingevoerd om de vrije indeelbaarheid te bevorderen. Doordat de eisen op verblijfsgebiedniveau in de meeste gevallen hoger zijn dan op verblijfsruimteniveau is het eenvoudiger, bij het veranderen van de verblijfsruimte indeling, om aan de eisen van een verblijfsruimte te blijven voldoen. De eisen die het Bouwbesluit stelt op verblijfsruimteniveau worden ook wel vangneteisen genoemd.
Om te voorkomen dat onefficiente bouwwerken worden gebouwd, stelt het bouwbesluit als eis dat minimaal 55% van het gebruiksoppervlakte als verblijfsgebied aangemerkt moet worden. Het Bouwbesluit stelt op verblijfsgebiedniveau eisen om de kenmerkende activiteit van de gebruiksfunctie uit te kunnen oefenen.
>> Lees meer over verblijfsgebieden

Stap 6: Benoem de rest ruimte

In stap 1 is alle vloeroppervlak van een bouwwerk benoemt tot een gebruiksfunctie. In de meeste gevallen zal het vervolgens echter niet lukken om al het vloeroppervlak te benoemen tot een verblijfsgebied (stap 4) of tot een gedefineerde ruimte van het Bouwbesluit (stap 2). Een verblijfsgebied van een woonfunctie moet bijvoorbeeld een plafond hoogte hebben van 2,6 meter. Bij een kapconstructie zal het plafond niet over de gehele vloeroppervlakte een hoogte hebben van 2,6 meter. Het vloeroppervlakte waarbij de vrije hoogte lager dan 2,6 meter bedraagt mag niet benoemd worden als verblijfsgebied. Er ontstaat dan een rest ruimte. Deze rest ruimte wordt benoemd als onbenoemde ruimte. Een onbenoemde ruimte hoeft dus niet fysiek worden gescheiden van een verblijfsgebied door bijvoorbeeld wanden. Maar ook bijvoorbeeld de gehele zolder van een woning kan benoemd worden als onbenoemde ruimte ondanks dat een deel van het vloeroppervlakte wel aan de eisen van een verblijfsgebied voldoet.

Voorbeeld ruimtebenaming van een woning conform het Bouwbesluit

Technisch Advies Bureau Goezinnen, rb1
De verblijfsruimten 1, 2 en 3 vormen één verblijfsgebied
Technisch Advies Bureau Goezinnen, rb2

Technisch Advies Bureau Goezinnen B.V.

Onderdijk 127 - 1693 CC Wervershoof - Telefoon 0228-724844 - Fax 0228-720666
Mobiel 06-12471167 - E-mail info@goezinnen.eu - KvK 37135470 - BTW nr NL1860.12.676.B01
© 2008 Technisch Advies Bureau Goezinnen B.V. te Wervershoof.